Verhalen van vroeger

door Ad Arendse, West-Souburg

Blog Image

De dertiger jaren

Het waren de jaren van de grote werkloosheid. Lage lonen, en geen kinderbijslag. Ook van steuntrekkers en stempellokalen. Ook van kleine boeren die financieel aan de grond zaten.

Voor de heel oude mensen onder ons bekende termen. Als daar 50 jaar later over gepraat werd dan werden veel mensen erg emotioneel, maar de cijfers en feiten wist men niet meer zo goed. Het ging dan in de trant van: Die steun was maar een schijntje van wat een gezin nodig had, het dagelijks stempelen was vernederend en de regering deed verder niets.

Er was in die jaren een crisis van ongekende omvang over heel de wereld. En Nederland moest daar nog op inspelen. Er was wel de armenzorg van de gemeentelijke overheid, en de armenzorg van de kerken, maar die beiden mistten een wettelijke basis, en waren niet toereikend.

Daarom kwam de overheid met steunmaatregelen. Ergens las ik dat het om ongeveer 11 a 12 Gulden per week ging voor een gezin van 5 personen. Ik merk hierbij op dat de landarbeiderslonen op Walcheren tussen de 12 en 15 Gulden bedroegen. Nu waren de landarbeiderslonen het laagst van alle lonen, en zeker die op Walcheren. Wel zaten aan die uitkeringen een paar akelige bepalingen vast. De steuntrekkers werden verplicht elke dag één of twee keer, op vastgestelde tijden, naar een stempellokaal te gaan. Dat was om fraude te voorkomen.Soms stonden ze in rijen voor het lokaal. Ieder kon zien wie er steun trok.

Bovenstaande is een schets van de toestand.

Onderstaand is wat ik er zelf van gezien heb.

Ik ben in 1926 geboren, en ging in de jaren 1933-1940 naar de lagere school. Die schooljaren vielen grotendeels in de crisistijd. Ik was leergierig, en luisterde goed naar wat de grote mensen zeiden, en vooral las ik alles wat ik in mijn handen kreeg. En vanaf 1936 heb ik ook herinnering aan bepaalde gebeurtenissen, zeker ook die verband hielde met de crisis.

Maar ook de oorlogen die gevoerd werden ontsnapten niet aan mijn aandacht. Ik noem dan Italië dat ook zo graag koloniën wilde hebben, en daarom Abessinië bezette. Dan was er ook de Spaanse burgeroorlog. En een oorlog tussen Rusland en Finland.

Het was ook de tijd van de regeringen van Hendrik Colijn. Die dreigde o.a. de ambtenarensalarissen te verlagen. Ik herinner me een verkiezingsaanplakbiljet wat mij erg aansprak met de volgende tekst: “Hein (Hendrik) weet belasting te vergaren uit bloed en zweet van ambtenaren.”

Vanuit de Tweede Kamer werd er bij de regering sterk op aangedrongen om toch eens wat te doen aan de vreselijke armoe van vooral de kleine boeren. De regering kwam toen met een aantal maatregelen. Maar om te beginnen was het noodzakelijk om alle boeren te registreren, ook de bedrijfsgegevens, zoals: Land of Tuinbouw, veehouderij enz. En zeker ook de oppervlaktes. (In 1942 heeft de NSB landbouworganisatie (de Landstand) daarvan geprofiteerd. Met één pennenstreep konden ze alle boeren verplicht lid maken van de Landstand.)

Eén van de maatregelen was het uit de markt nemen van landbouwproducten. Met twee daarvan was ik zelf betrokken.

  1. Er werden ook aardappelen uit de markt genomen. Dat ging zo: Vader had aardappelen opgegeven voor z.g.n. denaturisatie. Dat wilde in dit geval zeggen dat de aardappelen ongeschikt gemaakt werden voor menselijke consumptie, maar nog wel voor veevoer konden dienen. Daartoe moesten de aardappelen met een schop o.i.d. kapot gestoken worden, waarna een controleur er een gekleurde vloeistof over goot. Ik hielp daarbij mijn vader ook met een schop in die aardappels steken. Een ander, noodzakelijk aspect bij dat soort dingen was: controle. Er is toen de Centrale Crisis Controle Dienst opgericht. Speciaal voor de controle op die landbouwmaatregelen. In de oorlog heeft die ook nog veel van zich laten spreken.

  2. Er werd toen ook rundvlees en tomaten uit de markt gehaald. Die werden ingeblikt tot vlees in blik resp. tomatensoep, ook in blik. Deze werden gratis aan de werklozen verstrekt. Maar hoe kan het nu dat ik daar bij betrokken werd? Dat is vlug verteld: Een jongere broer van mijn moeder was ook werkloos. Hij was ongehuwd, en woonde nog bij zijn ouders thuis en kreeg ook van die tomatensoep. Zijn moeder, mijn oma, zei toen: zullen we het maar aan Keetje -mijn moeder- geven, die hebben er meer gebrek aan, met drie kinderen. Ik heb dus ook van die soep gegeten. Maar wij werden nadrukkelijk verteld dat we er niet met anderen over moesten praten.

Voor veel mensen was de langdurige werkloosheid iets wat ze moeilijk konden verwerken. En dan vooral jongere mannen die wilde trouwen, en dat niet konden omdat ze nauwelijks inkomen hadden.

In 1938, een jaar voor de oorlog uitbrak begonnen de regeringen graan en peulvruchten op te slaan, met het oog op een mogelijke oorlog. Ook werd een gedegen distributiestelsel gemaakt, waarbij de ervaringen van WO 1 nog goed van pas kwamen. Die oorlog was nog maar 20 jaar eerder beëindigd. En, zoals bekend, de prijzen van de producten reageerden daar direct op. En de boeren kregen weer een beetje lucht.