Verhalen van vroeger

door Ad Arendse, West-Souburg

Blog Image

Het onzichtbare gevaar

st-jozeph-sluis

In 1945 en 1946 was ik als militair betrokken bij de buitenbewaking van de interneringskampen, o.a. in Sluis.

De gevangenen waren ondergebracht in het voormalig Pensionaat St. Jozeph, een erg groot gebouw. Sommige delen waren nog onbruikbaar door oorlogsschade. Zo’n 900 gevangenen werden er gehuisvest, terwijl er ook nog een vleugel was voor huisvesting van de militairen.

Naast “gewone” NSB’ers kwamen daar in 1945 Nederlandse SS’ers uit andere kampen om in Zeeuws-Vlaanderen in de landbouw te werken. In de plattelandskampen heerste een wat vriendelijker regime dan in die van de steden. En zeker ook wat betreft het eten was het daar beter, want de boeren waar ze moesten werken wisten drommels goed dat je op een lege maag niet kan werken, dus zorgden ze voor wat extra voedsel. Een bekend gezegde onder de gedetineerden was dan ook: “Goeie boer, goeie soep”.

Geruimde mijnen.

Geruimde mijnen.

Ook werden er gedetineerden aangeworven door de overheid, lees Militair Gezag (MG), om landmijnen te ruimen. In Zeeuws Vlaanderen waren veel mijnen achtergebleven. Praktisch alle mijnen blijven immers over!

De mijnen in de polders werden geruimd door mijnenploegen van burgers en gedetineerden. In de duinen heb ik Duitse krijgsgevangenen van het leger mijnen zien ruimen, terwijl krijgsgevangen van de Duitse marine op het strand de explosieven verwijderden.

De gevangenen uit het kamp Sluis deden hun werk tot tevredenheid van de bevolking. Ze waren daar min of meer populair. Als de vrachtauto’s met de mijnenruimers door de dorpen reden werden ze wel met handopsteken begroet. En dat was echt niet voor de bewakers. Naar mij werd verteld gaven ze soms garantie op hun werk, door het land voor de eerste keer zelf te ploegen.

Het leek wel of ze meer gezien waren dan de Canadezen, die toch de bevrijders waren, maar die met hun artillerie veel dorpen en steden in puin hadden geschoten, waarbij veel slachtoffers vielen, terwijl die NSB’ers toch maar hun leven waagden in de mijnenvelden.
Van je vrienden moet je het maar hebben! Dit gaf mij een beetje verwrongen gevoel.

De mijnenruimers uit het kamp waren vrij jonge mensen. Ze stapten soms opgeruimd en zingend op de tram of in de auto. Ze hadden ook hun eigen lied, dat ik spijtig genoeg me niet meer kan herinneren, op een paar regels na:

Waar zijn nu de stille helden.
Geen illegaal en geen O.D.
Dat zijn in de mijnenvelden
Onze jongens van BD

Met OD werd de Ordedienst bedoeld; de legale opvolger/ voortzetting van de illegaliteit. Met BD werd bedoeld Bomb Disposal, de Engelse naam van de militaire mijnopruimingsdienst.

Samen met een korporaal moest ik een keer als bewaking van de mijnenploeg naar een mijnenveld. Ze hadden juist de dag daarvoor een ernstig ongeval gehad. Daarom werd er van hen geen prestatie verwacht, die dag is er geen mijn geruimd. Wel werden met een smalspoor, reeds geruimde mijnen vanaf het strand bij laag water zover mogelijk in zee gereden, en dan bij hoog water gesprongen. En verder deden ze nog wat gevaarlijke spelletjes met panzerfausten e.d. Alles onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse militaire deskundige.

Maar die spelletjes werden plotseling onderbroken door een explosie dicht bij ons in het duingebied waar Duitse mijnenruimers bezig waren. Wij zijn daar met onze ploeg naar toe gegaan. Zij hadden verschillende licht gewonden, en een zwaar gewonde. Ze werden bewaakt door Joodse militairen van de Jewish Brigade van het Engelse leger.
Die reageerden wat onderkoeld op onze komst, maar vonden het goed dat wij ons ermee bemoeiden. Onder de groep Duitsers was ook een verpleger met verbandmiddelen e.d. al bezig met de zwaargewonde, die nog wel bij kennis was. Toen de verpleger een injectiespuit klaar maakte, riep hij “Otto, Otto, keine spritze” Hij dacht dat de verpleger hem uit zijn lijden wilde verlossen. Het viel mij op hoe gedisciplineerd de Duitsers zich gedroegen. De verpleger ging ook na wie er dezelfde bloedgroep hadden.

Er werd toen besloten om op het dagkamp van de Duitsers hulp en transport te vragen. Dat kamp lag een paar kilometer verder richting België. Daar werd een Duitser voor aangewezen, en mijn korporaal belaste mij met de bewaking van die gevangene.

Mijnenveldpaaltje FP (Fest Punkt) F. Deze paaltjes werden door de Duiters om de positie van de mijnen te documenteren. Het paaltje op deze foto stond in West-Souburg.

Mijnenveldpaaltje FP (Fest Punkt) F.

En zo gingen we samen op weg door het duingebied. Begon mij daar die Duitser te mopperen dat zij als krijgsgevangenen dit gevaarlijke werk moesten doen, en dat dit in strijd was met internationale regels.

En hij had nog gelijk ook. Maar op mij kwam dat toen slecht over. Zo kort na de oorlog, na al die gruwelen die de Duitsers op hun geweten hadden. Mijn antwoord was toen kort en bondig: “Jullie hebben de mijnen gelegd, nu moeten jullie ze ook opruimen”.

“Mijn” Duitser heeft toen op het kamp de hulpdienst gewaarschuwd, en is daar gebleven, en ik ging weer terug.

Hoeveel mensen er in Zeeuws Vlaanderen zijn omgekomen bij het ruimen is mij niet bekend. Wel is bekend dat de Duitse krijgsgevangenen in Nederland 200 man verloren hebben.

Verder heb ik gevonden dat er in Zeeuws Vlaanderen 25 burgers en 50 politieke gevangenen hebben gewerkt aan het ruimen van mijnen. Zij hebben, samen met de Duitsers daar 29.137 stuks mijnen geruimd. Petje Af.

Ook de mijnen op Walcheren zijn door de Duitsers geruimd, en dat waren er ook veel. Bij ons boerderijtje op West-Souburg lagen de mijnen tot kort bij de stoep van het huis.

Tot besluit nog iets wat mij toen bijzonder heeft aangegrepen, en ik nooit zal vergeten:
Op het grote plein van het kamp aan de straatzijde, was een gedeelte beschikbaar voor de gedetineerden, om zich wat te vertreden. Daar liepen twee verminkte mijnenruimers, die elkaar nodig hadden om te lopen.De één liep erg kreupel, en had de ander nodig om op te leunen. En die ander was blind, en was dus aangewezen op de ziende.
“De kreupele leidt de blinde”

Voor al dat leed en verlies van levens, veroorzaakt door die ellendige mijnen, zijn bijna geen woorden te vinden. En nog steeds vallen er elders in de wereld slachtoffers.

Het is geen verhaal met een happy end. Maar wel de werkelijkheid.

A. Arendse.